A2 · Adjectives & articles
elk + adjective
Every + adjective: elk huis, elk kind, elke dag.
- ___ huis heeft een tuin. (elk)
- ___ kamer is voorzien van een bed. (elk)
- ___ kind krijgt een boekje. (elk)
- ___ dag loop ik naar de school. (elk)
- Ik controleer ___ antwoord zorgvuldig. (elk)
- ___ probleem heeft een andere oplossing. (elk)
- ___ zaterdag sporten we samen. (elk)
- ___ medewerker krijgt een eigen bureau. (elk)
- We controleren ___ keer per jaar de brandblussers. (elk)
- ___ restaurant serveert vegetarisch eten. (elk)
- ___ belrond van de gemeente komt langs. (elk)
- ___ klein dorp heeft een eigen bakker. (elk)