Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

elk + adjective

Every + adjective: elk huis, elk kind, elke dag.

  1. ___ huis heeft een tuin. (elk)
  2. ___ kamer is voorzien van een bed. (elk)
  3. ___ kind krijgt een boekje. (elk)
  4. ___ dag loop ik naar de school. (elk)
  5. Ik controleer ___ antwoord zorgvuldig. (elk)
  6. ___ probleem heeft een andere oplossing. (elk)
  7. ___ zaterdag sporten we samen. (elk)
  8. ___ medewerker krijgt een eigen bureau. (elk)
  9. We controleren ___ keer per jaar de brandblussers. (elk)
  10. ___ restaurant serveert vegetarisch eten. (elk)
  11. ___ belrond van de gemeente komt langs. (elk)
  12. ___ klein dorp heeft een eigen bakker. (elk)