Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

geen + adjective

No + adjective: geen idee, geen tijd, geen probleem.

  1. Ik heb ___ idee waar dat moet zijn. (geen)
  2. We hebben ___ tijd voor de vergadering. (geen)
  3. Dat is ___ probleem, we lossen het wel op. (geen)
  4. Hij heeft ___ antwoord op de vraag. (geen)
  5. Er is ___ vrije plek meer in de zaal. (geen)
  6. Wij zoeken een ___ huis aan zee. (geen)
  7. Er was ___ twijfel aan het resultaat. (geen)
  8. Ik heb ___ zin om te werken vandaag. (geen)
  9. Deze winkel geeft ___ garantie op de reparatie. (geen)
  10. Er zijn ___ mensen die dat willen doen. (geen)
  11. We hebben ___ goede reden om te klagen. (geen)
  12. Er is ___ verschil, ze zijn hetzelfde. (geen)