A2 · Adjectives & articles
veel and weinig + adjective
Much and little + adjective: veel werk, weinig tijd.
- Er is ___ werk deze maand. (veel)
- We hebben ___ tijd tot de vakantie. (weinig)
- Hij heeft ___ ervaring met zulke projecten. (weinig)
- Er is ___ belangstelling voor de cursus. (veel)
- Mijn dochter heeft ___ vrienden op school. (weinig)
- De zaal had ___ bezoekers, dat was jammer. (weinig)
- We eten ___ fruit en weinig snoep. (veel)
- Hij maakt ___ fouten in zijn verslag. (veel)
- Er is weinig ___ over in de pot. (soep)
- De klas heeft ___ huiswerk gekregen. (veel)
- Ik heb ___ zin om iets te eten. (weinig)
- Er was ___ discussie over de nieuwe regels. (veel)