Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

veel and weinig + adjective

Much and little + adjective: veel werk, weinig tijd.

  1. Er is ___ werk deze maand. (veel)
  2. We hebben ___ tijd tot de vakantie. (weinig)
  3. Hij heeft ___ ervaring met zulke projecten. (weinig)
  4. Er is ___ belangstelling voor de cursus. (veel)
  5. Mijn dochter heeft ___ vrienden op school. (weinig)
  6. De zaal had ___ bezoekers, dat was jammer. (weinig)
  7. We eten ___ fruit en weinig snoep. (veel)
  8. Hij maakt ___ fouten in zijn verslag. (veel)
  9. Er is weinig ___ over in de pot. (soep)
  10. De klas heeft ___ huiswerk gekregen. (veel)
  11. Ik heb ___ zin om iets te eten. (weinig)
  12. Er was ___ discussie over de nieuwe regels. (veel)