A2 · Adjectives & articles
allemaal + adjective
All of them + adjective: allemaal nieuw, allemaal moe.
- De fietsen zijn ___ nieuw. (allemaal)
- We zijn ___ moe na de dag. (allemaal)
- De kinderen zijn ___ blij met het cadeau. (allemaal)
- De huizen zijn ___ oud in dit dorp. (allemaal)
- De prijzen zijn ___ gestegen. (allemaal)
- Mijn collega's zijn ___ vriendelijk. (allemaal)
- De boeken op tafel zijn ___ van de bibliotheek. (allemaal)
- We hebben ___ plannen voor het weekend. (allemaal)
- De leerlingen zijn ___ goed voorbereid. (allemaal)
- Deze prijzen zijn ___ te duur voor de markt. (allemaal)
- De auto's in de straat zijn ___ oud. (allemaal)
- We zijn ___ te laat voor de film. (allemaal)