Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

in plaats van + adjective

Instead of + adjective: in plaats van koud, in plaats van duur.

  1. Ik drink thee in plaats van ___. (koffie)
  2. We eten een broodje in plaats van ___. (rijst)
  3. Neem de bus in plaats van ___. (lopen)
  4. Ik neem thee in plaats van ___. (koffie)
  5. We namen een taxi in plaats van ___. (fietsen)
  6. In plaats van ___ thuis te blijven, gaan we uit. (blijven)
  7. Hij werkt in plaats van ___ te leren. (leren)
  8. We kozen een ander restaurant in plaats van ___. (gaan)
  9. Zij stuurde een bericht in plaats van ___. (bellen)
  10. In plaats van ___ te wachten, liep ik naar huis. (wachten)
  11. We kochten brood in plaats van ___. (rijst)
  12. Hij at een sandwich in plaats van ___. (ontbijt)