Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

zoals + adjective

Like + adjective: zoals een kind, zoals altijd.

  1. Hij zingt ___ een oude rockster. (zoals)
  2. Zij is ___ haar moeder, dezelfde ogen. (zoals)
  3. We deden ___ altijd op zaterdag boodschappen. (zoals)
  4. De vloer is ___ een spiegel. (zoals)
  5. Hij heeft ___ zijn vader veel humor. (zoals)
  6. De taart smaakt ___ de taart van mijn oma. (zoals)
  7. Ze gedraagt zich ___ een klein kind. (zoals)
  8. Wij werken ___ een team, niet alleen. (zoals)
  9. De prijs is ___ u zegt, hij is te hoog. (zoals)
  10. Het is ___ vandaag, precies als gisteren. (zoals)
  11. Hij doet ___ zijn vader: hij werkt hard. (zoals)
  12. De sfeer is ___ een gezellige kamer. (zoals)