A2 · Adjectives & articles
zoals + adjective
Like + adjective: zoals een kind, zoals altijd.
- Hij zingt ___ een oude rockster. (zoals)
- Zij is ___ haar moeder, dezelfde ogen. (zoals)
- We deden ___ altijd op zaterdag boodschappen. (zoals)
- De vloer is ___ een spiegel. (zoals)
- Hij heeft ___ zijn vader veel humor. (zoals)
- De taart smaakt ___ de taart van mijn oma. (zoals)
- Ze gedraagt zich ___ een klein kind. (zoals)
- Wij werken ___ een team, niet alleen. (zoals)
- De prijs is ___ u zegt, hij is te hoog. (zoals)
- Het is ___ vandaag, precies als gisteren. (zoals)
- Hij doet ___ zijn vader: hij werkt hard. (zoals)
- De sfeer is ___ een gezellige kamer. (zoals)