A2 · Adjectives & articles
The adjective after a preposition
Adjectives after a preposition: een goed idee, in prettig weer.
- Dat was een ___ idee van jou. (goed)
- Zij keek mij met ___ ogen aan. (groot)
- We gingen in ___ weer wandelen. (mooi)
- Hij sprak met ___ enthousiasme over het project. (groot)
- Zij heeft voor ___ belangstelling in de taal. (groot)
- Op ___ leeftijd begon hij met schilderen. (jonge)
- We kregen ___ nieuws over de verhuizing. (goed)
- Hij heeft ___ werk gevonden in Utrecht. (mooi)
- Door ___ regen moesten we thuis blijven. (heftig)
- Met ___ hulp van de buren was het snel klaar. (groot)
- Voor ___ geld kun je veel kopen in dit land. (weinig)
- Zij luisterde met ___ aandacht naar het verhaal. (groot)