Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

The adjective after a preposition

Adjectives after a preposition: een goed idee, in prettig weer.

  1. Dat was een ___ idee van jou. (goed)
  2. Zij keek mij met ___ ogen aan. (groot)
  3. We gingen in ___ weer wandelen. (mooi)
  4. Hij sprak met ___ enthousiasme over het project. (groot)
  5. Zij heeft voor ___ belangstelling in de taal. (groot)
  6. Op ___ leeftijd begon hij met schilderen. (jonge)
  7. We kregen ___ nieuws over de verhuizing. (goed)
  8. Hij heeft ___ werk gevonden in Utrecht. (mooi)
  9. Door ___ regen moesten we thuis blijven. (heftig)
  10. Met ___ hulp van de buren was het snel klaar. (groot)
  11. Voor ___ geld kun je veel kopen in dit land. (weinig)
  12. Zij luisterde met ___ aandacht naar het verhaal. (groot)