Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

Adjectives in compounds

Compound adjectives: een zwaar voetbal, een grote stad.

  1. Hij speelt met een ___ voetbal. (zwaar)
  2. Wij wonen in een ___ stad. (groot)
  3. Vandaag is het ___ weer. (koud)
  4. Zij heeft een ___ lach om haar mond. (vriendelijk)
  5. We bestellen een ___ maaltijd voor twee. (warm)
  6. Er is een ___ file op de ring. (zwaar)
  7. Hij is een ___ klant van het restaurant. (vaste)
  8. Deze plek is een ___ plek om te ontspannen. (goede)
  9. Zij heeft ___ haar kamer een kleine boekenplank. (naast)
  10. We kregen ___ regen het hele weekend. (aanhoudend)
  11. Hij heeft ___ kaart voor de wedstrijd gekocht. (goedkoop)
  12. Er stond een ___ boom in de tuin van mijn oma. (eeuwenoud)