A2 · Adjectives & articles
Adjectives in compounds
Compound adjectives: een zwaar voetbal, een grote stad.
- Hij speelt met een ___ voetbal. (zwaar)
- Wij wonen in een ___ stad. (groot)
- Vandaag is het ___ weer. (koud)
- Zij heeft een ___ lach om haar mond. (vriendelijk)
- We bestellen een ___ maaltijd voor twee. (warm)
- Er is een ___ file op de ring. (zwaar)
- Hij is een ___ klant van het restaurant. (vaste)
- Deze plek is een ___ plek om te ontspannen. (goede)
- Zij heeft ___ haar kamer een kleine boekenplank. (naast)
- We kregen ___ regen het hele weekend. (aanhoudend)
- Hij heeft ___ kaart voor de wedstrijd gekocht. (goedkoop)
- Er stond een ___ boom in de tuin van mijn oma. (eeuwenoud)