A2 · Adjectives & articles
Colours and shades
Colours and their shades: lichtblauw, donkergroen, zwart-wit.
- Deze kamer is heel ___. (donkergroen)
- Mijn jas is ___. (lichtblauw)
- De vloer is ___ en het licht is aan. (donker)
- De muren van de kamer zijn ___. (wit)
- Hij draagt een ___ das bij zijn pak. (rood)
- Deze bloem is een ___ kleur. (mooi)
- De auto van de buren is ___. (zilverkleurig)
- Deze deur is ___, zoals de andere in de gang. (groen)
- Zij droeg een ___ jurk naar het feest. (zwart-wit)
- De tafel is ___ van hout. (bruin)
- De lucht is vandaag heel ___. (grijs)
- Mijn lieve ___ huis is een driekamerflat. (blauw)