Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

Colours and shades

Colours and their shades: lichtblauw, donkergroen, zwart-wit.

  1. Deze kamer is heel ___. (donkergroen)
  2. Mijn jas is ___. (lichtblauw)
  3. De vloer is ___ en het licht is aan. (donker)
  4. De muren van de kamer zijn ___. (wit)
  5. Hij draagt een ___ das bij zijn pak. (rood)
  6. Deze bloem is een ___ kleur. (mooi)
  7. De auto van de buren is ___. (zilverkleurig)
  8. Deze deur is ___, zoals de andere in de gang. (groen)
  9. Zij droeg een ___ jurk naar het feest. (zwart-wit)
  10. De tafel is ___ van hout. (bruin)
  11. De lucht is vandaag heel ___. (grijs)
  12. Mijn lieve ___ huis is een driekamerflat. (blauw)