Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

Quality, mood and speed

Adjectives of quality, mood and speed: goed, blij, langzaam.

  1. Mijn Nederlands is nog niet ___. (goed)
  2. Zij was heel ___ toen ze het nieuws hoorde. (blij)
  3. De bus rijdt ___ door de stad. (langzaam)
  4. Dit is een ___ idee, laten we het anders doen. (slecht)
  5. De sfeer in het restaurant was heel ___. (rustig)
  6. Mijn dochter is een ___ meisje. (aardig)
  7. Deze route is ___, je bent in tien minuten daar. (snel)
  8. Hij was ___ toen hij het resultaat hoorde. (verdrietig)
  9. De uitleg van de juf was heel ___. (duidelijk)
  10. Mijn oma kookt nog steeds ___. (goed)
  11. Deze jurk is ___, hij staat je niet goed. (lelijk)
  12. De kat is ___, hij wil naar buiten. (rustig)