Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

Comparing: goed, beter, best

Good, better, best and other irregular comparisons.

  1. Deze bakker maakt ___ brood dan die andere. (goed)
  2. Kun je me een ___ voorstellen? (goed)
  3. We zoeken een ___ huis met een tuin. (goed)
  4. Mijn vriendin heeft ___ Engels dan ik. (veel)
  5. Dit is de ___ winkel in het centrum. (goed)
  6. Er zijn maar ___ mensen in de winkel. (weinig)
  7. Deze prijs is ___ dan de prijs van vorig jaar. (hoog)
  8. Ze heeft een ___ baan dan ik. (goed)
  9. Dit is het ___ restaurant dat ik ken. (goed)
  10. We hadden maar ___ tijd om alles te bespreken. (weinig)
  11. Die jas is ___ dan de andere. (duur)
  12. Wie heeft er ___ gewerkt, jij of ik? (veel)