A2 · Adjectives & articles
Comparing: goed, beter, best
Good, better, best and other irregular comparisons.
- Deze bakker maakt ___ brood dan die andere. (goed)
- Kun je me een ___ voorstellen? (goed)
- We zoeken een ___ huis met een tuin. (goed)
- Mijn vriendin heeft ___ Engels dan ik. (veel)
- Dit is de ___ winkel in het centrum. (goed)
- Er zijn maar ___ mensen in de winkel. (weinig)
- Deze prijs is ___ dan de prijs van vorig jaar. (hoog)
- Ze heeft een ___ baan dan ik. (goed)
- Dit is het ___ restaurant dat ik ken. (goed)
- We hadden maar ___ tijd om alles te bespreken. (weinig)
- Die jas is ___ dan de andere. (duur)
- Wie heeft er ___ gewerkt, jij of ik? (veel)