A2 · Adjectives & articles
de or het? Everyday nouns
The article of common A2 nouns, and the adjective that goes with it.
- Mijn fiets is nog ___ oude fiets van mijn vader.
- Wij hebben een huisje in ___ dorp vlakbij de zee.
- ___ restaurant waar we aten was heel duur.
- ___ prijs van het ticket is te hoog.
- Mijn baas werkt in ___ station in Utrecht.
- We hebben ___ eten al op tafel gezet.
- ___ woning is kleiner dan het huis van mijn oma.
- Haar ___ bij de gemeente is zwaar.
- We gingen met ___ auto naar het strand.
- Dat ___ moet u vandaag nog tekenen.
- ___ tuin achter het huis is heel groot.
- ___ idee was om de trein te nemen.