Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

de or het? Everyday nouns

The article of common A2 nouns, and the adjective that goes with it.

  1. Mijn fiets is nog ___ oude fiets van mijn vader.
  2. Wij hebben een huisje in ___ dorp vlakbij de zee.
  3. ___ restaurant waar we aten was heel duur.
  4. ___ prijs van het ticket is te hoog.
  5. Mijn baas werkt in ___ station in Utrecht.
  6. We hebben ___ eten al op tafel gezet.
  7. ___ woning is kleiner dan het huis van mijn oma.
  8. Haar ___ bij de gemeente is zwaar.
  9. We gingen met ___ auto naar het strand.
  10. Dat ___ moet u vandaag nog tekenen.
  11. ___ tuin achter het huis is heel groot.
  12. ___ idee was om de trein te nemen.