A2 · Adjectives & articles
Diminutives
Small words: het meisje, het boekje, het huisje — and their articles.
- ___ meisje speelt met haar pop.
- Ik heb een ___ boekje voor haar gekocht.
- Wat een ___ huisje!
- Het ___ tafeltje staat in de keuken.
- Mijn vader heeft een ___ tuintje achter het huis.
- We hebben een ___ tafeltje op het balkon gezet.
- Dat ___ bandje speelt vanavond.
- Mijn oma heeft een ___ stoeltje bij het raam staan.
- Het ___ huisje is omgebouwd tot koffiebar.
- Ik zoek een ___ jas voor mijn dochter.
- Hoe heet dat ___ filmpje?
- Mijn vader droeg vroeger een ___ jasje naar school.