Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

Diminutives

Small words: het meisje, het boekje, het huisje — and their articles.

  1. ___ meisje speelt met haar pop.
  2. Ik heb een ___ boekje voor haar gekocht.
  3. Wat een ___ huisje!
  4. Het ___ tafeltje staat in de keuken.
  5. Mijn vader heeft een ___ tuintje achter het huis.
  6. We hebben een ___ tafeltje op het balkon gezet.
  7. Dat ___ bandje speelt vanavond.
  8. Mijn oma heeft een ___ stoeltje bij het raam staan.
  9. Het ___ huisje is omgebouwd tot koffiebar.
  10. Ik zoek een ___ jas voor mijn dochter.
  11. Hoe heet dat ___ filmpje?
  12. Mijn vader droeg vroeger een ___ jasje naar school.