Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

Articles: dit/deze, dat/die, ons/onze

Demonstratives and 'our' with de- and het-words.

  1. ___ boek hier is heel spannend.
  2. Ik vind ___ jas daar heel mooi.
  3. ___ huis daar is van mijn oom.
  4. Wil je ___ appels hier even proeven?
  5. ___ kinderen daar spelen elke dag buiten.
  6. Ik neem ___ broodje hier.
  7. Hoe heet ___ restaurant daar?
  8. ___ week heb ik veel werk.
  9. ___ jaar gaan we naar Italië.
  10. ___ huis is te klein geworden.
  11. ___ buren zijn erg aardig.
  12. Dit is ___ dochter, Emma.