A2 · Adjectives & articles
Adjectives: comparing before a noun
Comparatives and superlatives with endings: een grotere maat, het mooiste boek.
- Heeft u deze broek ook in een ___ maat? (groot)
- We zoeken een ___ huis. (groot)
- Ik wil graag een ___ kamer. (rustig)
- Ik heb een ___ telefoon nodig. (goed)
- Dit is de ___ fiets in de winkel. (duur)
- Amsterdam is de ___ stad van Nederland. (groot)
- Dit is het ___ boek dat ik ooit heb gelezen. (mooi)
- Anna is mijn ___ vriendin. (goed)
- Mijn zus is drie jaar ___ dan ik. (jong)
- Fietsen is ___ dan autorijden. (gezond)
- Het weer wordt steeds ___. (slecht)
- Hij verdient ___ geld dan zijn collega. (weinig)