A2 · Prepositions
Na een uur, na het eten
na with a moment in the past: after a meal, a holiday, a period.
- Na het eten ___ we samen een wandeling.
- Ik ben ___ een uur terug.
- We vertrekken ___ de vakantie.
- Zij komt ___ school even langs mij.
- Ik heb het huis ___ drie weken verkocht.
- Wat doen jullie ___ het eten?
- De bus vertrekt ___ de wedstrijd.
- ___ de aankomst van de trein gingen we naar huis.
- De prijzen zijn ___ de vakantie weer gestegen.
- ___ school ga ik altijd even langs de bakker.
- Hij is ___ de oorlog in het dorp blijven wonen.
- Mijn vakantie begint ___ juni.