Learn Dutch
A2 · Prepositions

Na een uur, na het eten

na with a moment in the past: after a meal, a holiday, a period.

  1. Na het eten ___ we samen een wandeling.
  2. Ik ben ___ een uur terug.
  3. We vertrekken ___ de vakantie.
  4. Zij komt ___ school even langs mij.
  5. Ik heb het huis ___ drie weken verkocht.
  6. Wat doen jullie ___ het eten?
  7. De bus vertrekt ___ de wedstrijd.
  8. ___ de aankomst van de trein gingen we naar huis.
  9. De prijzen zijn ___ de vakantie weer gestegen.
  10. ___ school ga ik altijd even langs de bakker.
  11. Hij is ___ de oorlog in het dorp blijven wonen.
  12. Mijn vakantie begint ___ juni.