A2 · Prepositions
Sinds toen, sinds 2019
sinds with a starting point in the past.
- Ik werk bij deze firma ___ 2016.
- ___ toen zijn we naar het buitenland verhuisd.
- Mijn dochter zit ___ drie maanden op deze school.
- De supermarkt is ___ de oorlog in dit pand gevestigd.
- Ik heb haar ___ 2021 niet gezien.
- Wij kennen elkaar ___ de universiteit.
- Hij woont ___ zijn pensionering in een klein dorp.
- ___ dat ik hier woon, is er veel veranderd.
- De bibliotheek is al ___ 1998 op deze plek.
- Ze woont ___ een half jaar in een hostel.
- ___ jouw vertrek mis ik je echt.
- Het regent hier ___ de hele ochtend.