Learn Dutch
A2 · Prepositions

Sinds toen, sinds 2019

sinds with a starting point in the past.

  1. Ik werk bij deze firma ___ 2016.
  2. ___ toen zijn we naar het buitenland verhuisd.
  3. Mijn dochter zit ___ drie maanden op deze school.
  4. De supermarkt is ___ de oorlog in dit pand gevestigd.
  5. Ik heb haar ___ 2021 niet gezien.
  6. Wij kennen elkaar ___ de universiteit.
  7. Hij woont ___ zijn pensionering in een klein dorp.
  8. ___ dat ik hier woon, is er veel veranderd.
  9. De bibliotheek is al ___ 1998 op deze plek.
  10. Ze woont ___ een half jaar in een hostel.
  11. ___ jouw vertrek mis ik je echt.
  12. Het regent hier ___ de hele ochtend.