A2 · Prepositions
Gedurende en tijdens
during a period: gedurende and tijdens.
- De vergadering duurde ___ twee uur.
- ___ de les mogen jullie niet praten.
- Hij werkte ___ tien jaar bij dezelfde firma.
- ___ de vakantie reisde ze naar Peru.
- We hebben ___ de hele middag gewacht.
- ___ het eten kijken we naar het nieuws.
- De reparatie kostte ___ drie weken.
- ___ de winter blijven de fietsen binnen.
- Zij studeerde ___ vier jaar geneeskunde.
- ___ de storm vielen er bomen.
- Het gesprek duurde ___ een half uur.
- ___ de oorlog was er in het dorp veel verdriet.