Learn Dutch
A2 · Prepositions

Vorig jaar, laatste zomer

vorig, vorige, laatste and afgelopen for a period in the past.

  1. ___ jaar zijn we naar Rome geweest.
  2. ___ zomer was het hier heel warm.
  3. Ik heb hem ___ week nog gezien.
  4. ___ keer zijn we met z'n vieren geweest.
  5. We hebben ___ jaar een huis gekocht.
  6. ___ maand heb ik een nieuwe baan gekregen.
  7. ___ keer was de sfeer in het restaurant beter.
  8. ___ winter was het koud in heel Nederland.
  9. Ik heb ___ maand in een jeugdhuis gewerkt.
  10. ___ ochtend ben ik te laat wakker geworden.
  11. ___ nacht hebben we doorgewerkt.
  12. Hij is ___ jaar met pensioen gegaan.