A2 · Prepositions
Vorig jaar, laatste zomer
vorig, vorige, laatste and afgelopen for a period in the past.
- ___ jaar zijn we naar Rome geweest.
- ___ zomer was het hier heel warm.
- Ik heb hem ___ week nog gezien.
- ___ keer zijn we met z'n vieren geweest.
- We hebben ___ jaar een huis gekocht.
- ___ maand heb ik een nieuwe baan gekregen.
- ___ keer was de sfeer in het restaurant beter.
- ___ winter was het koud in heel Nederland.
- Ik heb ___ maand in een jeugdhuis gewerkt.
- ___ ochtend ben ik te laat wakker geworden.
- ___ nacht hebben we doorgewerkt.
- Hij is ___ jaar met pensioen gegaan.