A2 · Prepositions
Over een uur, binnen een uur
over and binnen for a period of time from now.
- Ik kom ___ een uur terug.
- De trein naar Amsterdam vertrekt ___ tien minuten.
- Ik moet het antwoord ___ een uur hebben.
- Wij plannen het feest ___ drie weken.
- U moet de aanvraag ___ vijf werkdagen indienen.
- Mijn vakantie begint ___ een maand.
- We krijgen het pakket ___ drie werkdagen thuis.
- De uitslag komt ___ een week.
- Ik was ___ twee weken op reis.
- Wij hopen dat u ___ een half uur van tevoren komt.
- De excursieleider stuurt de lijst ___ de start.
- Sinds de verbouwing duurt het zoeken van een plek ___ een half uur.