Learn Dutch
A2 · Prepositions

Over een uur, binnen een uur

over and binnen for a period of time from now.

  1. Ik kom ___ een uur terug.
  2. De trein naar Amsterdam vertrekt ___ tien minuten.
  3. Ik moet het antwoord ___ een uur hebben.
  4. Wij plannen het feest ___ drie weken.
  5. U moet de aanvraag ___ vijf werkdagen indienen.
  6. Mijn vakantie begint ___ een maand.
  7. We krijgen het pakket ___ drie werkdagen thuis.
  8. De uitslag komt ___ een week.
  9. Ik was ___ twee weken op reis.
  10. Wij hopen dat u ___ een half uur van tevoren komt.
  11. De excursieleider stuurt de lijst ___ de start.
  12. Sinds de verbouwing duurt het zoeken van een plek ___ een half uur.