A2 · Prepositions
Rond Kerstmis, rond Pasen
rond with holidays and seasons: around that time.
- ___ Kerstmis is de supermarkt de hele dag open.
- We vieren het feest ___ oud en nieuw.
- ___ Pasen zoeken we eieren in het bos.
- Deze bakker is ___ de feestdagen altijd open.
- ___ nieuwjaar wensen we elkaar geluk.
- Zij is ___ de oudejaarsavond met ons mee.
- ___ het voorjaar bloeien de bomen in het park.
- Wij eten samen ___ kerst.
- ___ de zomer zijn er veel toeristen in de stad.
- Hij gaf ___ zijn verjaardag een feest.
- ___ de feestdagen werken de supermarkten harder.
- Wij plannen de vakantie ___ kerst.