Learn Dutch
A2 · Prepositions

Rond Kerstmis, rond Pasen

rond with holidays and seasons: around that time.

  1. ___ Kerstmis is de supermarkt de hele dag open.
  2. We vieren het feest ___ oud en nieuw.
  3. ___ Pasen zoeken we eieren in het bos.
  4. Deze bakker is ___ de feestdagen altijd open.
  5. ___ nieuwjaar wensen we elkaar geluk.
  6. Zij is ___ de oudejaarsavond met ons mee.
  7. ___ het voorjaar bloeien de bomen in het park.
  8. Wij eten samen ___ kerst.
  9. ___ de zomer zijn er veel toeristen in de stad.
  10. Hij gaf ___ zijn verjaardag een feest.
  11. ___ de feestdagen werken de supermarkten harder.
  12. Wij plannen de vakantie ___ kerst.