A2 · Prepositions
Aan de overkant, op de hoek
aan de overkant and op de hoek: two-word place phrases.
- De bakker staat ___ van de straat, tegenover de bioscoop.
- Wacht niet bij het huis, maar ___ van de straat.
- Mijn huis ligt ___ van het park.
- Het café ___ van het museum is goedkoop.
- De kinderen spelen ___ van het huis, op het gras.
- Wij zoeken een huis ___ van de school.
- De supermarkt is ___ van de kerk.
- De bushalte staat ___ van de winkel.
- Mijn tante woont ___ van ons, in het dorp.
- De pizzeria is ___ van de school, tegenover het plein.
- De klok staat ___ van de deur, bij het bed.
- Er staat een boom ___ van het kruispunt.