Learn Dutch
A2 · Prepositions

Aan de overkant, op de hoek

aan de overkant and op de hoek: two-word place phrases.

  1. De bakker staat ___ van de straat, tegenover de bioscoop.
  2. Wacht niet bij het huis, maar ___ van de straat.
  3. Mijn huis ligt ___ van het park.
  4. Het café ___ van het museum is goedkoop.
  5. De kinderen spelen ___ van het huis, op het gras.
  6. Wij zoeken een huis ___ van de school.
  7. De supermarkt is ___ van de kerk.
  8. De bushalte staat ___ van de winkel.
  9. Mijn tante woont ___ van ons, in het dorp.
  10. De pizzeria is ___ van de school, tegenover het plein.
  11. De klok staat ___ van de deur, bij het bed.
  12. Er staat een boom ___ van het kruispunt.