A2 · Prepositions
In het midden, op het einde
in het midden and op het einde: position in a space.
- De tafel staat ___ van de kamer.
- Zij zit ___ van de rij, naast het gangpad.
- De bus stopt ___ van de straat.
- Ik eet mijn appel altijd ___ van het broodje.
- De wedstrijd begint ___ van de voorronde.
- De excursie eindigt ___ van de dag.
- Er staan drie auto's ___ van de weg geparkeerd.
- De bibliotheek sluit ___, maar de koffieshop blijft open.
- Mijn plaats is ___, vlak bij de uitgang.
- De zon staat precies ___ van de tuin.
- Het huisje staat ___ van het bos, in het veld.
- Ik zet de boeken op het ___ van de plank.