Learn Dutch
A2 · Prepositions

Tegenover en achter

tegenover and achter: opposite and behind.

  1. Wij zitten tegenover elkaar ___ de tafel.
  2. De fietsen staan ___ het huis in de garage.
  3. Onze bank staat tegenover ___ kachel.
  4. Hij parkeerde de auto ___ het huis en liep weg.
  5. Tegenover ___ station staat een grote parkeerplaats.
  6. De hond slaapt ___ de bank in de woonkamer.
  7. Tegenover ___ winkel is een parkje.
  8. Wij stonden tegenover elkaar ___ de afspraak te maken.
  9. De tas staat ___ de deur.
  10. Zij zit tegenover ___ baas aan tafel.
  11. Tegenover ___ molen ligt een oude boerderij.
  12. Hij staat ___ de klas en kijkt naar het bord.