A2 · Prepositions
Tegenover en achter
tegenover and achter: opposite and behind.
- Wij zitten tegenover elkaar ___ de tafel.
- De fietsen staan ___ het huis in de garage.
- Onze bank staat tegenover ___ kachel.
- Hij parkeerde de auto ___ het huis en liep weg.
- Tegenover ___ station staat een grote parkeerplaats.
- De hond slaapt ___ de bank in de woonkamer.
- Tegenover ___ winkel is een parkje.
- Wij stonden tegenover elkaar ___ de afspraak te maken.
- De tas staat ___ de deur.
- Zij zit tegenover ___ baas aan tafel.
- Tegenover ___ molen ligt een oude boerderij.
- Hij staat ___ de klas en kijkt naar het bord.