Learn Dutch
A2 · Prepositions

Tussen en naast

tussen and naast: between and next to.

  1. De bank staat ___ de twee ramen.
  2. Wij zitten ___ elkaar in de bus.
  3. Het huisje staat ___ de schuur en de garage.
  4. De fietsenrek staat ___ de ingang.
  5. Zij zat ___ haar zus en haar moeder in de auto.
  6. De kat ligt ___ het bedje van de hond.
  7. Tussen ___ twee huizen staat een oude eik.
  8. Hij wachtte ___ het station tot de bus kwam.
  9. In ___ klas zitten dertig leerlingen.
  10. De bakkerij is ___ het plein, naast de kerk.
  11. Mijn broer slaapt ___ mijn kamer, in de kast.
  12. We zaten ___ de twee vrienden uit huis.