A2 · Prepositions
Tussen en naast
tussen and naast: between and next to.
- De bank staat ___ de twee ramen.
- Wij zitten ___ elkaar in de bus.
- Het huisje staat ___ de schuur en de garage.
- De fietsenrek staat ___ de ingang.
- Zij zat ___ haar zus en haar moeder in de auto.
- De kat ligt ___ het bedje van de hond.
- Tussen ___ twee huizen staat een oude eik.
- Hij wachtte ___ het station tot de bus kwam.
- In ___ klas zitten dertig leerlingen.
- De bakkerij is ___ het plein, naast de kerk.
- Mijn broer slaapt ___ mijn kamer, in de kast.
- We zaten ___ de twee vrienden uit huis.