A2 · Prepositions
Dichtbij, vlak bij, ver van
distance: dichtbij, vlak bij, ver van, dicht bij.
- De bushalte is ___ de supermarkt.
- Wij wonen ___ het station, bijna een kilometer.
- Mijn huis staat dicht ___ het strand.
- De bakker is ___ hier, om de hoek.
- Mijn zus woont in de buurt ___ het station.
- Het ziekenhuis ligt ___ het dorp, twintig minuten rijden.
- Wij zaten vlak ___ het raam, met uitzicht op de tuin.
- Is er een bioscoop ___ in deze buurt?
- Mijn huis ligt dicht ___ de school.
- De bibliotheek is vlak ___ het plein.
- Hij woont ver ___ zijn werk, in een ander dorp.
- De roeiboot ligt ___ de steiger.