Learn Dutch
A2 · Prepositions

Dichtbij, vlak bij, ver van

distance: dichtbij, vlak bij, ver van, dicht bij.

  1. De bushalte is ___ de supermarkt.
  2. Wij wonen ___ het station, bijna een kilometer.
  3. Mijn huis staat dicht ___ het strand.
  4. De bakker is ___ hier, om de hoek.
  5. Mijn zus woont in de buurt ___ het station.
  6. Het ziekenhuis ligt ___ het dorp, twintig minuten rijden.
  7. Wij zaten vlak ___ het raam, met uitzicht op de tuin.
  8. Is er een bioscoop ___ in deze buurt?
  9. Mijn huis ligt dicht ___ de school.
  10. De bibliotheek is vlak ___ het plein.
  11. Hij woont ver ___ zijn werk, in een ander dorp.
  12. De roeiboot ligt ___ de steiger.