A2 · Prepositions
Onderaan, bovenop, voorop
Position on a building or a vehicle: onderaan, bovenop, voorop, achterin.
- De winkel is ___ van het gebouw, naast de deur.
- Er staan fietsen ___ op het dak.
- Wij zitten ___ in de bus, tegenover de chauffeur.
- De kinderen spelen ___ op het plein.
- De antenne staat ___ op het dak van de auto.
- Onze bagage ligt ___ in de kofferbak.
- De ingang is ___ van het gebouw, naast de trap.
- Er staat een restaurant ___ in het gebouw.
- De motor zit ___ in de auto.
- De kinderen zitten ___ in de schoolbus.
- De kelder is ___ van het huis.
- Op de markt staat een grote kraam ___ het plein.