Learn Dutch
A2 · Prepositions

Onderaan, bovenop, voorop

Position on a building or a vehicle: onderaan, bovenop, voorop, achterin.

  1. De winkel is ___ van het gebouw, naast de deur.
  2. Er staan fietsen ___ op het dak.
  3. Wij zitten ___ in de bus, tegenover de chauffeur.
  4. De kinderen spelen ___ op het plein.
  5. De antenne staat ___ op het dak van de auto.
  6. Onze bagage ligt ___ in de kofferbak.
  7. De ingang is ___ van het gebouw, naast de trap.
  8. Er staat een restaurant ___ in het gebouw.
  9. De motor zit ___ in de auto.
  10. De kinderen zitten ___ in de schoolbus.
  11. De kelder is ___ van het huis.
  12. Op de markt staat een grote kraam ___ het plein.