A2 · Prepositions
Met een koffiebekertje
met and other prepositions with diminutive nouns.
- Zij komt ___ een koffiebekertje en een koekje.
- Heb je ___ glaasje wijn mee?
- Ik heb ___ zwart schaapje in de tuin gekregen.
- Wij drinken ___ een glaasje wijn op het balkon.
- Ze liep ___ een moederbordje over de plek.
- Zijn jasje ___ is van drie weken oud.
- De ober bracht ___ een bordje soep.
- Wij hadden ___ een momentje samen aan de kust.
- Er lag ___ een briefje voor de bakker op tafel.
- Ik heb ___ etentje voor ons vier geregeld.
- Zij heeft ___ handschoentje in haar zak gestopt.
- Met ___ beetje regen was de fietsrit leuk.