A2 · Prepositions
Volgend jaar, dit najaar
the future with volgend, dit, volgende and over.
- ___ jaar ga ik naar Italië.
- ___ weekend is er een feest in de stad.
- Ik heb ___ week een vrije dag.
- ___ najaar begint de nieuwe cursus.
- ___ maand verhuis ik naar een ander huis.
- We vieren Kerst ___ jaar met de familie.
- ___ zomer gaan we naar de kust.
- Over ___ weken begint de opleiding.
- ___ avond hebben we een etentje.
- Ik ben ___ dagen niet thuis geweest.
- ___ jaar hoop ik een baan te vinden.
- We praten ___ dagen over de vakantie.