Learn Dutch
A2 · Prepositions

Volgend jaar, dit najaar

the future with volgend, dit, volgende and over.

  1. ___ jaar ga ik naar Italië.
  2. ___ weekend is er een feest in de stad.
  3. Ik heb ___ week een vrije dag.
  4. ___ najaar begint de nieuwe cursus.
  5. ___ maand verhuis ik naar een ander huis.
  6. We vieren Kerst ___ jaar met de familie.
  7. ___ zomer gaan we naar de kust.
  8. Over ___ weken begint de opleiding.
  9. ___ avond hebben we een etentje.
  10. Ik ben ___ dagen niet thuis geweest.
  11. ___ jaar hoop ik een baan te vinden.
  12. We praten ___ dagen over de vakantie.