A2 · Prepositions
De dag erna, de volgende dag
the day after and the next day, with erna and de volgende.
- ___ dag erna belde ik de bank.
- De brief kwam maandag. ___ volgende dag ging ik terug.
- We stuurden het pakket op dinsdag. ___ dag erna werd het afgeleverd.
- ___ dag ervoor had ik nog niets gehoord.
- We kekenen naar een film. ___ volgende avond gingen we naar de koffie.
- ___ dag erna belde de klant terug.
- De oefening was maandag. ___ volgende les moest ik een tekst schrijven.
- ___ dag ervoor was het nog koud.
- Op zaterdag was de markt. ___ dag erna was alles stil.
- We aten in het restaurant. ___ volgende dag aten we thuis.
- ___ dag erna werd de leraar ziek.
- We kampeerden in het dorp. ___ volgende ochtend regende het.