Learn Dutch
A2 · Prepositions

De dag erna, de volgende dag

the day after and the next day, with erna and de volgende.

  1. ___ dag erna belde ik de bank.
  2. De brief kwam maandag. ___ volgende dag ging ik terug.
  3. We stuurden het pakket op dinsdag. ___ dag erna werd het afgeleverd.
  4. ___ dag ervoor had ik nog niets gehoord.
  5. We kekenen naar een film. ___ volgende avond gingen we naar de koffie.
  6. ___ dag erna belde de klant terug.
  7. De oefening was maandag. ___ volgende les moest ik een tekst schrijven.
  8. ___ dag ervoor was het nog koud.
  9. Op zaterdag was de markt. ___ dag erna was alles stil.
  10. We aten in het restaurant. ___ volgende dag aten we thuis.
  11. ___ dag erna werd de leraar ziek.
  12. We kampeerden in het dorp. ___ volgende ochtend regende het.