Learn Dutch
A2 · Prepositions

Te laat, te vroeg, te veel

te with adverbs and adjectives: too much, too little, too early.

  1. Sorry, ik ben ___ laat.
  2. De jas is ___ groot voor mij.
  3. We hebben ___ veel werk om deze week.
  4. Je bent ___ vroeg, de bus vertrekt pas om tien.
  5. Er was ___ weinig eten in huis.
  6. Mijn schoenen zijn ___ klein geworden.
  7. Ik heb ___ veel gegeten, sorry.
  8. De prijs is ___ hoog voor dit product.
  9. Wij zijn ___ vroeg vertrokken en misten de trein.
  10. Het is ___ koud buiten voor deze tijd van het jaar.
  11. Die broek is ___ wijd, ze valt me af.
  12. Mijn auto is ___ oud, hij moet weg.