A2 · Prepositions
Te laat, te vroeg, te veel
te with adverbs and adjectives: too much, too little, too early.
- Sorry, ik ben ___ laat.
- De jas is ___ groot voor mij.
- We hebben ___ veel werk om deze week.
- Je bent ___ vroeg, de bus vertrekt pas om tien.
- Er was ___ weinig eten in huis.
- Mijn schoenen zijn ___ klein geworden.
- Ik heb ___ veel gegeten, sorry.
- De prijs is ___ hoog voor dit product.
- Wij zijn ___ vroeg vertrokken en misten de trein.
- Het is ___ koud buiten voor deze tijd van het jaar.
- Die broek is ___ wijd, ze valt me af.
- Mijn auto is ___ oud, hij moet weg.