Learn Dutch
A2 · Prepositions

Op het werk, op school

fixed places: op het werk, op school, in de vrije tijd.

  1. Ik ben vandaag thuis, ik werk ___ kantoor.
  2. Mijn dochter zit ___ school in het tweede jaar.
  3. Wat doe je ___ de vrije tijd?
  4. We wandelen vaak ___ de natuur.
  5. Hij werkt al tien jaar ___ het ziekenhuis.
  6. Mijn broer studeert ___ de universiteit in Utrecht.
  7. We kopen verse bloemen ___ de markt.
  8. Ze is ___ de supermarkt en komt meteen terug.
  9. Na ___ werk ga ik naar het zwembad.
  10. In ___ vrije tijd organiseer ik een schaakclub.
  11. De jongens spelen na school ___ het plein.
  12. Mijn collega werkt ___ een ziekenhuis in Groningen.