A2 · Prepositions
Op het werk, op school
fixed places: op het werk, op school, in de vrije tijd.
- Ik ben vandaag thuis, ik werk ___ kantoor.
- Mijn dochter zit ___ school in het tweede jaar.
- Wat doe je ___ de vrije tijd?
- We wandelen vaak ___ de natuur.
- Hij werkt al tien jaar ___ het ziekenhuis.
- Mijn broer studeert ___ de universiteit in Utrecht.
- We kopen verse bloemen ___ de markt.
- Ze is ___ de supermarkt en komt meteen terug.
- Na ___ werk ga ik naar het zwembad.
- In ___ vrije tijd organiseer ik een schaakclub.
- De jongens spelen na school ___ het plein.
- Mijn collega werkt ___ een ziekenhuis in Groningen.