Learn Dutch
A2 · Prepositions

Wachten op, denken aan

wachten op, denken aan, zorgen voor, houden van.

  1. Wij wachten al tien minuten ___ de bus.
  2. Zij denkt vaak ___ haar familie in Marokko.
  3. Mijn oma zorgt ___ de kat van de buren.
  4. Ik houd heel veel ___ muziek uit de jaren zestig.
  5. Mijn dochter is bang ___ honden.
  6. Ik ben trots ___ mijn zoon, hij heeft zijn diploma gehaald.
  7. We wachten ___ de uitslag van de wedstrijd.
  8. Hij denkt niet ___ werken, hij wil met pensioen.
  9. Zij zorgt goed ___ de planten in de tuin.
  10. Ik houd niet ___ koffie om half zeven, maar wel van thee.
  11. De jongen is bang ___ in het donker alleen te zijn.
  12. Wij zijn trots ___ ons team, ze hebben gewonnen.