A2 · Prepositions
Wachten op, denken aan
wachten op, denken aan, zorgen voor, houden van.
- Wij wachten al tien minuten ___ de bus.
- Zij denkt vaak ___ haar familie in Marokko.
- Mijn oma zorgt ___ de kat van de buren.
- Ik houd heel veel ___ muziek uit de jaren zestig.
- Mijn dochter is bang ___ honden.
- Ik ben trots ___ mijn zoon, hij heeft zijn diploma gehaald.
- We wachten ___ de uitslag van de wedstrijd.
- Hij denkt niet ___ werken, hij wil met pensioen.
- Zij zorgt goed ___ de planten in de tuin.
- Ik houd niet ___ koffie om half zeven, maar wel van thee.
- De jongen is bang ___ in het donker alleen te zijn.
- Wij zijn trots ___ ons team, ze hebben gewonnen.