Learn Dutch
A2 · Prepositions

Kijken naar, praten over

kijken naar, luisteren naar, praten over, deelnemen aan.

  1. We kekenen ___ naar de foto's van onze vakantie.
  2. Luister je ook ___ naar de nieuwe podcast?
  3. We spraken ___ over de plannen voor het weekend.
  4. Ik doe mee ___ aan de taalcursus op dinsdag.
  5. Zij heeft zich ingeschreven ___ voor een cursus Nederlands.
  6. Waarom reageerde je niet ___ op mijn berichten?
  7. Hij keek ___ naar het bord en zag de uitleg.
  8. We praten ___ over de prijzen in de supermarkt.
  9. Mijn dochter luistert ___ naar liedjes in de auto.
  10. Ik nam deel ___ aan de workshop in het buurthuis.
  11. Hij heeft ingeschreven ___ voor een cursus schilderen.
  12. De klant reageerde meteen ___ op mijn e-mail.