A2 · Prepositions
Kijken naar, praten over
kijken naar, luisteren naar, praten over, deelnemen aan.
- We kekenen ___ naar de foto's van onze vakantie.
- Luister je ook ___ naar de nieuwe podcast?
- We spraken ___ over de plannen voor het weekend.
- Ik doe mee ___ aan de taalcursus op dinsdag.
- Zij heeft zich ingeschreven ___ voor een cursus Nederlands.
- Waarom reageerde je niet ___ op mijn berichten?
- Hij keek ___ naar het bord en zag de uitleg.
- We praten ___ over de prijzen in de supermarkt.
- Mijn dochter luistert ___ naar liedjes in de auto.
- Ik nam deel ___ aan de workshop in het buurthuis.
- Hij heeft ingeschreven ___ voor een cursus schilderen.
- De klant reageerde meteen ___ op mijn e-mail.