A2 · Prepositions
Interesse in, vertrouwen in
interesse in, vertrouwen in, tegenstander van, afhankelijk van.
- Hij heeft grote interesse ___ in geschiedenis.
- We hebben veel vertrouwen ___ in het nieuwe team.
- De buurman is een tegenstander ___ van het nieuwe plan.
- De uitkomst is afhankelijk ___ van het weer.
- Er is een groot verschil ___ tussen de twee stijlen.
- De regering heeft invloed ___ op de prijzen.
- De reactie ___ op het nieuws was overweldigend.
- Er is een overeenkomst ___ met de andere partij gesloten.
- Haar mening verschilt ___ met die van haar collega.
- We hebben een bijzonderheid ___ voor dit soort werk.
- Mijn dochter heeft deel ___ aan de uitjes van de klas.
- Hij is gewoon gewend ___ aan het werk op de boerderij.