Learn Dutch
A2 · Prepositions

Interesse in, vertrouwen in

interesse in, vertrouwen in, tegenstander van, afhankelijk van.

  1. Hij heeft grote interesse ___ in geschiedenis.
  2. We hebben veel vertrouwen ___ in het nieuwe team.
  3. De buurman is een tegenstander ___ van het nieuwe plan.
  4. De uitkomst is afhankelijk ___ van het weer.
  5. Er is een groot verschil ___ tussen de twee stijlen.
  6. De regering heeft invloed ___ op de prijzen.
  7. De reactie ___ op het nieuws was overweldigend.
  8. Er is een overeenkomst ___ met de andere partij gesloten.
  9. Haar mening verschilt ___ met die van haar collega.
  10. We hebben een bijzonderheid ___ voor dit soort werk.
  11. Mijn dochter heeft deel ___ aan de uitjes van de klas.
  12. Hij is gewoon gewend ___ aan het werk op de boerderij.