Learn Dutch
A2 · Prepositions

Samen met, zonder

samen met, met, zonder: together with and without.

  1. We gingen samen ___ de fiets naar het strand.
  2. Hij at zijn brood zonder ___ kaas.
  3. De film begon zonder ___ dat we het merkten.
  4. We gingen met plezier ___ de expositie.
  5. Zij woont samen ___ haar vriendin in Enschede.
  6. Ik kan niet slapen zonder ___ de radio aan te laten.
  7. Hij vertelde het verhaal met ___ tot tranens toe.
  8. We aten brood met ___ jam.
  9. Hij werkte hard om de klus op ___ te leveren.
  10. Zij nam een kopje koffie zonder ___ suiker.
  11. We gingen zonder ___ bagage naar de luchthaven.
  12. Zij beantwoordde de vraag met ___ een glimlach.