A2 · Prepositions
Samen met, zonder
samen met, met, zonder: together with and without.
- We gingen samen ___ de fiets naar het strand.
- Hij at zijn brood zonder ___ kaas.
- De film begon zonder ___ dat we het merkten.
- We gingen met plezier ___ de expositie.
- Zij woont samen ___ haar vriendin in Enschede.
- Ik kan niet slapen zonder ___ de radio aan te laten.
- Hij vertelde het verhaal met ___ tot tranens toe.
- We aten brood met ___ jam.
- Hij werkte hard om de klus op ___ te leveren.
- Zij nam een kopje koffie zonder ___ suiker.
- We gingen zonder ___ bagage naar de luchthaven.
- Zij beantwoordde de vraag met ___ een glimlach.