A2 · Prepositions
Om te, om mee te
om te and om … te: purpose with infinitives.
- Ik ga naar de supermarkt om ___ melk te halen.
- Bel me om te ___ dat je komt.
- Waarom bel je me om te ___?
- Kom je mee om te ___ helpen?
- De leraar vroeg of ik een praatje wilde houden om te ___.
- Wij moeten de documenten om ___ te versturen.
- Hij stond op om ___ te roken.
- Ik moet naar huis om ___ op te ruimen.
- Wij zaten in de auto klaar om ___ te vertrekken.
- Ze nam de bus om ___ naar het station te gaan.
- Ik bel je om te ___ hoe het gaat.
- Hij had geen zin om langer te ___ werken.