Learn Dutch
A2 · Prepositions

Om te, om mee te

om te and om … te: purpose with infinitives.

  1. Ik ga naar de supermarkt om ___ melk te halen.
  2. Bel me om te ___ dat je komt.
  3. Waarom bel je me om te ___?
  4. Kom je mee om te ___ helpen?
  5. De leraar vroeg of ik een praatje wilde houden om te ___.
  6. Wij moeten de documenten om ___ te versturen.
  7. Hij stond op om ___ te roken.
  8. Ik moet naar huis om ___ op te ruimen.
  9. Wij zaten in de auto klaar om ___ te vertrekken.
  10. Ze nam de bus om ___ naar het station te gaan.
  11. Ik bel je om te ___ hoe het gaat.
  12. Hij had geen zin om langer te ___ werken.