A2 · Prepositions
Om dat, om mee te doen
om dat, om van te, om mee te doen: om with other words.
- Ik blijf vandaag thuis, om ___ het heel koud is.
- Waarom ben je gekomen om ___ te horen wat er speelde?
- Wij nemen een paraplu mee om ___ te blijven droog.
- Kom je mee om ___ te eten?
- Ik ga naar het station om ___ van de trein te vertrekken.
- Hij nam een taxi om ___ het station te bereiken.
- Zij komt niet mee om ___ dat het regent.
- Waarom nam je een koffie mee om ___ onderweg te drinken?
- We gingen naar de markt om ___ verse producten te kopen.
- Hij bleef thuis om dat ___ regen.
- Wij namen een taxi om ___ het hotel te bereiken.
- Ze ging naar het station om ___ haar vriend op te halen.