A2 · Prepositions
Te + plaats + infinitief
te with a place and an infinitive: to go and do something there.
- Om ___ bus te pakken moet je om tien uur bij de halte zijn.
- We gaan zaterdag ___ zwembad.
- Ik moet even ___ supermarkt boodschappen doen.
- Zij loopt elke dag ___ school.
- We gingen met z'n vieren ___ restaurant.
- Hij fietst naar het werk, maar eerst ___ station om een krant te kopen.
- We moeten ___ politie bellen, want er is brand.
- Mijn dochter gaat elke middag ___ zwemles.
- Kun je ___ de supermarkt even brood en melk halen?
- We gaan vanavond ___ bioscoop, er speelt een goede film.
- Hij moet eerst ___ bank om geld te halen.
- We zouden graag ___ terras gaan zitten.