Learn Dutch
A2 · Prepositions

Te + plaats + infinitief

te with a place and an infinitive: to go and do something there.

  1. Om ___ bus te pakken moet je om tien uur bij de halte zijn.
  2. We gaan zaterdag ___ zwembad.
  3. Ik moet even ___ supermarkt boodschappen doen.
  4. Zij loopt elke dag ___ school.
  5. We gingen met z'n vieren ___ restaurant.
  6. Hij fietst naar het werk, maar eerst ___ station om een krant te kopen.
  7. We moeten ___ politie bellen, want er is brand.
  8. Mijn dochter gaat elke middag ___ zwemles.
  9. Kun je ___ de supermarkt even brood en melk halen?
  10. We gaan vanavond ___ bioscoop, er speelt een goede film.
  11. Hij moet eerst ___ bank om geld te halen.
  12. We zouden graag ___ terras gaan zitten.