A2 · Prepositions
Door … te + infinitive
door with a noun and an infinitive: by doing something.
- Hij betaalt de huur ___ de maand vooruit.
- Je vindt het vast door ___ proberen.
- We hebben het gehoord door ___ roepen.
- Hij werd beroemd door ___ zijn liedjes te zingen.
- We gingen door ___ de supermarkt en daarna naar huis.
- Zij houdt van wandelen om ___ frisse lucht te krijgen.
- Door ___ zijn ziekte kon hij niet komen.
- We hebben het huis verkocht door ___ het online te zetten.
- Zij heeft de taal geleerd door ___ dagelijks te oefenen.
- Door ___ dat de trein te laat was, kwamen we te laat aan.
- De winkel sluit om zes, maar door ___ regen sluit hij soms eerder.
- Hij is ___ de kamer binnen gekomen.