Learn Dutch
A2 · Prepositions

Door … te + infinitive

door with a noun and an infinitive: by doing something.

  1. Hij betaalt de huur ___ de maand vooruit.
  2. Je vindt het vast door ___ proberen.
  3. We hebben het gehoord door ___ roepen.
  4. Hij werd beroemd door ___ zijn liedjes te zingen.
  5. We gingen door ___ de supermarkt en daarna naar huis.
  6. Zij houdt van wandelen om ___ frisse lucht te krijgen.
  7. Door ___ zijn ziekte kon hij niet komen.
  8. We hebben het huis verkocht door ___ het online te zetten.
  9. Zij heeft de taal geleerd door ___ dagelijks te oefenen.
  10. Door ___ dat de trein te laat was, kwamen we te laat aan.
  11. De winkel sluit om zes, maar door ___ regen sluit hij soms eerder.
  12. Hij is ___ de kamer binnen gekomen.