Learn Dutch
A2 · Prepositions

Van + een naamwoord

van with noun phrases: whose, from what, out of.

  1. Dit is de fiets ___ mijn buurman.
  2. Zij leest een roman ___ een bekende schrijver uit Peru.
  3. Het huis ___ mijn grootouders stond aan de zee.
  4. Waar is de sleutel ___ de voordeur?
  5. Ik heb een recept ___ mijn moeder gekregen.
  6. De prijs van de auto ___ vorig jaar is flink gestegen.
  7. Hij kocht een huis ___ hout in de buurt van het bos.
  8. Dat is de vriendin ___ wie ik zo vaak sprak.
  9. De geur ___ de bloemen was heerlijk.
  10. Dit is een foto ___ ons gezin bij zee.
  11. Het is een probleem ___ de hele buurt.
  12. Ik heb een auto ___ de buurman gekocht.