A2 · Prepositions
Van + een naamwoord
van with noun phrases: whose, from what, out of.
- Dit is de fiets ___ mijn buurman.
- Zij leest een roman ___ een bekende schrijver uit Peru.
- Het huis ___ mijn grootouders stond aan de zee.
- Waar is de sleutel ___ de voordeur?
- Ik heb een recept ___ mijn moeder gekregen.
- De prijs van de auto ___ vorig jaar is flink gestegen.
- Hij kocht een huis ___ hout in de buurt van het bos.
- Dat is de vriendin ___ wie ik zo vaak sprak.
- De geur ___ de bloemen was heerlijk.
- Dit is een foto ___ ons gezin bij zee.
- Het is een probleem ___ de hele buurt.
- Ik heb een auto ___ de buurman gekocht.