Learn Dutch
A2 · Prepositions

Voor + een naamwoord

voor with noun phrases: for whom, for what purpose.

  1. Ik heb een cadeau ___ mijn oma gekocht.
  2. Twee koffies ___ mij en één voor jou.
  3. Wat is de prijs ___ de fiets?
  4. Deze crème is ___ droge huid.
  5. Er is een parkeerplaats ___ bezoekers.
  6. Zij heeft een boek ___ haar dochter gelezen.
  7. Ik heb een taartje ___ het hele team besteld.
  8. Deze woning is ___ vier personen.
  9. Heb je een pen ___ mij?
  10. Wij zoeken een tafel ___ zes personen.
  11. Het is belangrijk ___ de gezondheid.
  12. Ik heb geen tijd ___ dit alles vandaag.