A2 · Prepositions
Voor + een naamwoord
voor with noun phrases: for whom, for what purpose.
- Ik heb een cadeau ___ mijn oma gekocht.
- Twee koffies ___ mij en één voor jou.
- Wat is de prijs ___ de fiets?
- Deze crème is ___ droge huid.
- Er is een parkeerplaats ___ bezoekers.
- Zij heeft een boek ___ haar dochter gelezen.
- Ik heb een taartje ___ het hele team besteld.
- Deze woning is ___ vier personen.
- Heb je een pen ___ mij?
- Wij zoeken een tafel ___ zes personen.
- Het is belangrijk ___ de gezondheid.
- Ik heb geen tijd ___ dit alles vandaag.