A2 · Prepositions
Over + een naamwoord
over with noun phrases: about a topic, and over something.
- We hebben het ___ de toekomst van de stad.
- Zij las een boek ___ het leven in de jaren vijftig.
- Er staat een brug ___ de rivier.
- Hij legde een warme jas ___ zijn schouders.
- De volgende stap is ___leggen.
- We hebben het ___ de nieuwe regels voor de buurt.
- Er wordt veel gesproken ___ het klimaat.
- Leg de kaart ___ de tafel, niet eronder.
- Hij vroeg mij ___ de reis.
- De politie gaf een waarschuwing ___ de snelheid.
- We zijn het niet eens ___ de plannen.
- Zij was ___ de hele middag in de tuin aan het werk.