Learn Dutch
A2 · Prepositions

Over + een naamwoord

over with noun phrases: about a topic, and over something.

  1. We hebben het ___ de toekomst van de stad.
  2. Zij las een boek ___ het leven in de jaren vijftig.
  3. Er staat een brug ___ de rivier.
  4. Hij legde een warme jas ___ zijn schouders.
  5. De volgende stap is ___leggen.
  6. We hebben het ___ de nieuwe regels voor de buurt.
  7. Er wordt veel gesproken ___ het klimaat.
  8. Leg de kaart ___ de tafel, niet eronder.
  9. Hij vroeg mij ___ de reis.
  10. De politie gaf een waarschuwing ___ de snelheid.
  11. We zijn het niet eens ___ de plannen.
  12. Zij was ___ de hele middag in de tuin aan het werk.