Learn Dutch
A2 · Prepositions

Uit + een naamwoord

uit with noun phrases: out of, from (a source).

  1. Zij haalt een boek ___ de kast.
  2. De trein ___ Brussel vertrekt om tien uur.
  3. Deze foto is ___ het fotoboek van vorig jaar.
  4. Wij zaten met z'n vieren ___ de kast.
  5. De jongen at zijn broodje ___ de ene hand en zijn appel in de andere.
  6. Haar ideeën komen ___ de natuurkunde.
  7. Er staat een oude boompalm ___ het gras.
  8. Die uitdrukking is ___ een oud Nederlands boek.
  9. We namen de bus ___ het station.
  10. Haar vader komt ___ Turkije en werkt hier in de bouw.
  11. Ik heb een koffie ___ de machine bij de ingang gehaald.
  12. Wij kregen het huis ___ de familie geërfd.