A2 · Prepositions
Uit + een naamwoord
uit with noun phrases: out of, from (a source).
- Zij haalt een boek ___ de kast.
- De trein ___ Brussel vertrekt om tien uur.
- Deze foto is ___ het fotoboek van vorig jaar.
- Wij zaten met z'n vieren ___ de kast.
- De jongen at zijn broodje ___ de ene hand en zijn appel in de andere.
- Haar ideeën komen ___ de natuurkunde.
- Er staat een oude boompalm ___ het gras.
- Die uitdrukking is ___ een oud Nederlands boek.
- We namen de bus ___ het station.
- Haar vader komt ___ Turkije en werkt hier in de bouw.
- Ik heb een koffie ___ de machine bij de ingang gehaald.
- Wij kregen het huis ___ de familie geërfd.