Learn Dutch
A2 · Prepositions

Bij + een naamwoord

bij with noun phrases: at someone's place, next to, in case of.

  1. Ik woon al tien jaar ___ het station.
  2. We drinken thee ___ het eten.
  3. Wacht je even ___ de deur, ik kom zo.
  4. Mijn moeder is ___ de dokter voor haar hart.
  5. Bij ___ probleem kun je me bellen.
  6. Zij werkt ___ een bedrijf dat software maakt.
  7. Ik heb een afspraak ___ de tandarts om drie uur.
  8. De kinderen spelen ___ het huis in de tuin.
  9. Bij ___ geluid moet je de deur sluiten.
  10. Hij woont al tien jaar ___ de universiteit.
  11. Ik breng je het pakket ___ de supermarkt mee.
  12. Mijn oma is ___. de telefoon en haar ogen zijn dicht.