A2 · Prepositions
Bij + een naamwoord
bij with noun phrases: at someone's place, next to, in case of.
- Ik woon al tien jaar ___ het station.
- We drinken thee ___ het eten.
- Wacht je even ___ de deur, ik kom zo.
- Mijn moeder is ___ de dokter voor haar hart.
- Bij ___ probleem kun je me bellen.
- Zij werkt ___ een bedrijf dat software maakt.
- Ik heb een afspraak ___ de tandarts om drie uur.
- De kinderen spelen ___ het huis in de tuin.
- Bij ___ geluid moet je de deur sluiten.
- Hij woont al tien jaar ___ de universiteit.
- Ik breng je het pakket ___ de supermarkt mee.
- Mijn oma is ___. de telefoon en haar ogen zijn dicht.