Learn Dutch
A2 · Prepositions

Naar + een naamwoord

naar with noun phrases: the direction or the goal.

  1. We lopen ___ de supermarkt, daarna naar huis.
  2. Hij fietst elke dag ___ het station om de trein te nemen.
  3. Dit liedje is ___ mijn oma.
  4. Wij kijken naar een film ___ kinderen.
  5. De klok loopt drie minuten ___ achter.
  6. Ga je ___ de bakker om brood?
  7. De brug ___ de stad is pas sinds kort open.
  8. Hij is ___ huis, de deur is op slot.
  9. We hebben lang ___ de oma van de buurman gewandeld.
  10. Zij verhuisde ___ een ander land.
  11. Het is maar vijf minuten lopen ___ de supermarkt.
  12. De brief is ___ mijn broer in Amsterdam.