A2 · Prepositions
Naar + een naamwoord
naar with noun phrases: the direction or the goal.
- We lopen ___ de supermarkt, daarna naar huis.
- Hij fietst elke dag ___ het station om de trein te nemen.
- Dit liedje is ___ mijn oma.
- Wij kijken naar een film ___ kinderen.
- De klok loopt drie minuten ___ achter.
- Ga je ___ de bakker om brood?
- De brug ___ de stad is pas sinds kort open.
- Hij is ___ huis, de deur is op slot.
- We hebben lang ___ de oma van de buurman gewandeld.
- Zij verhuisde ___ een ander land.
- Het is maar vijf minuten lopen ___ de supermarkt.
- De brief is ___ mijn broer in Amsterdam.