A2 · Prepositions
Met + een naamwoord
met with noun phrases: with, by means of, in spite of.
- Zij komt ___ een tas met boeken naar school.
- We gaan met z'n vieren ___ de fiets naar het strand.
- Hij heeft ___ zijn vrienden een uitje georganiseerd.
- Met plezier ___ ik je helpen.
- Zij is ___ haar moeder naar de markt gegaan.
- De zaak is ___ de deur van het huis.
- We aten brood met kaas ___ een kopje thee.
- Met een beetje hulp ___ ik het sneller.
- Hij is ___ zijn excuses niet gekomen.
- De klas zat ___ de juf in een kring.
- Met de nieuwe regels moet je altijd je naam ___ de lijst zetten.
- Ze is ___ een kwartier te laat.