Learn Dutch
A2 · Prepositions

Met + een naamwoord

met with noun phrases: with, by means of, in spite of.

  1. Zij komt ___ een tas met boeken naar school.
  2. We gaan met z'n vieren ___ de fiets naar het strand.
  3. Hij heeft ___ zijn vrienden een uitje georganiseerd.
  4. Met plezier ___ ik je helpen.
  5. Zij is ___ haar moeder naar de markt gegaan.
  6. De zaak is ___ de deur van het huis.
  7. We aten brood met kaas ___ een kopje thee.
  8. Met een beetje hulp ___ ik het sneller.
  9. Hij is ___ zijn excuses niet gekomen.
  10. De klas zat ___ de juf in een kring.
  11. Met de nieuwe regels moet je altijd je naam ___ de lijst zetten.
  12. Ze is ___ een kwartier te laat.