Learn Dutch
A2 · Prepositions

Zonder + een naamwoord

zonder with noun phrases: without, lacking.

  1. Hij at zijn brood zonder ___ kaas.
  2. Wij gingen zonder ___ bagage naar de luchthaven.
  3. Ik kan niet slapen zonder ___ de radio aan te laten.
  4. De film begon zonder ___ dat we het merkten.
  5. Een jaar zonder ___ telefoon vond ik heerlijk.
  6. Er was ___ twijfel: de zaak was duidelijk.
  7. Zij ging ___ tas naar de winkel.
  8. Hij kon niet naar de vergadering zonder ___ excuses te sturen.
  9. De klas was vandaag ___ de leraar.
  10. Wij zaten twee uur zonder ___ iets te zeggen.
  11. Hij verliet het huis zonder ___ woord te zeggen.
  12. De supermarkt heeft ___ rookvlees en ook halal.