A2 · Prepositions
Zonder + een naamwoord
zonder with noun phrases: without, lacking.
- Hij at zijn brood zonder ___ kaas.
- Wij gingen zonder ___ bagage naar de luchthaven.
- Ik kan niet slapen zonder ___ de radio aan te laten.
- De film begon zonder ___ dat we het merkten.
- Een jaar zonder ___ telefoon vond ik heerlijk.
- Er was ___ twijfel: de zaak was duidelijk.
- Zij ging ___ tas naar de winkel.
- Hij kon niet naar de vergadering zonder ___ excuses te sturen.
- De klas was vandaag ___ de leraar.
- Wij zaten twee uur zonder ___ iets te zeggen.
- Hij verliet het huis zonder ___ woord te zeggen.
- De supermarkt heeft ___ rookvlees en ook halal.