A2 · Prepositions
Tegenover + een naamwoord
tegenover with noun phrases: opposite, compared with.
- Tegenover ___ station staat een grote parkeerplaats.
- Wij zitten tegenover elkaar ___ de tafel.
- De verkoop is tegenover vorig jaar ___ gestegen.
- Tegenover ___ molen ligt een oude boerderij.
- Zij woonde tegenover ___ buurman en de ruzie begon.
- De prijs is tegenover de concurrentie ___ laag.
- Tegenover de eerste helft ___ het jaar was het drukker.
- Tegenover ___ klas zijn ze maar een handvol leerlingen.
- Hij is tegenover ___ ziekte rustig blijven in bed.
- Tegenover ___ andere deelnemers won hij de prijs.
- De bus rijdt tegenover ___ kerk langs.
- Tegenover ___ was het vandaag rustiger in de winkel.