Learn Dutch
A2 · Prepositions

Tegenover + een naamwoord

tegenover with noun phrases: opposite, compared with.

  1. Tegenover ___ station staat een grote parkeerplaats.
  2. Wij zitten tegenover elkaar ___ de tafel.
  3. De verkoop is tegenover vorig jaar ___ gestegen.
  4. Tegenover ___ molen ligt een oude boerderij.
  5. Zij woonde tegenover ___ buurman en de ruzie begon.
  6. De prijs is tegenover de concurrentie ___ laag.
  7. Tegenover de eerste helft ___ het jaar was het drukker.
  8. Tegenover ___ klas zijn ze maar een handvol leerlingen.
  9. Hij is tegenover ___ ziekte rustig blijven in bed.
  10. Tegenover ___ andere deelnemers won hij de prijs.
  11. De bus rijdt tegenover ___ kerk langs.
  12. Tegenover ___ was het vandaag rustiger in de winkel.