Learn Dutch
A2 · Prepositions

Langs + een naamwoord

langs with noun phrases: along, past.

  1. We liepen langs ___ kanaal en zagen de boten.
  2. De bus rijdt langs ___ station voordat hij het centrum ingaat.
  3. Zij fietst langs ___ rivier naar het dorp.
  4. Het huis staat aan ___ weg, tussen de bomen.
  5. We liepen langs ___ muur van de oude fabriek.
  6. De fietser reed langs ___ kinderen bij de school.
  7. Wij gingen langs ___ winkel en zagen de uitverkoop.
  8. Hij liep langs ___ meer en keek naar de vogels.
  9. Langs ___ weg ligt een nieuw fietspad.
  10. De vogel vloog langs ___ huis en landde op het dak.
  11. We aten brood en kaas langs ___ water.
  12. Langs ___ plein staat een oude fontein.