A2 · Prepositions
Langs + een naamwoord
langs with noun phrases: along, past.
- We liepen langs ___ kanaal en zagen de boten.
- De bus rijdt langs ___ station voordat hij het centrum ingaat.
- Zij fietst langs ___ rivier naar het dorp.
- Het huis staat aan ___ weg, tussen de bomen.
- We liepen langs ___ muur van de oude fabriek.
- De fietser reed langs ___ kinderen bij de school.
- Wij gingen langs ___ winkel en zagen de uitverkoop.
- Hij liep langs ___ meer en keek naar de vogels.
- Langs ___ weg ligt een nieuw fietspad.
- De vogel vloog langs ___ huis en landde op het dak.
- We aten brood en kaas langs ___ water.
- Langs ___ plein staat een oude fontein.